Abstract
In Nederland zijn er momenteel zeven operationele offshore windparken met een totale capaciteit van 2,45 GW. De ambitie van de Nederlandse overheid is om dit uit te breiden tot een totale capaciteit van 21 GW in 2030 (16% van het totale energieverbruik in Nederland en 75% van het huidige stroomverbruik). In 2050 moet dit verder zijn toegenomen tot 38-72 GW (Rijksoverheid, 2023). Dit houdt een ruimtebeslag in van circa 4,5 procent van het totale oppervlakte van het Nederlandse deel van de Noordzee in 2030, oplopend tot 7,5-13,4 procent in 2050, tegenover de huidige 1,65 procent (2023) (Rijksoverheid, 2023). De bouw, het operationeel houden en de uiteindelijke afbraak van een offshore windpark (OWP) kent verschillende potentiële negatieve effecten op lokale ecosystemen. Een van deze effecten is het optreden van habitatverlies bij dieren zoals zeevogels en zeezoogdieren. Er wordt vermoed dat gebieden met permanente verstoringsbronnen, zoals drukke scheepvaartroutes en windparken minder aantrekkelijk zijn voor deze diergroepen. Wanneer dieren dergelijke gebieden mijden, is er sprake van habitatverlies (Desholm & Kahlert, 2005; Dierschke et al., 2016; Furness et al., 2013; Lindeboom et al., 2011; Mendel et al., 2019; Petersen et al., 2011, 2014). Zeevogels die het gebied buiten een OWP verkiezen boven het gebied in en nabij een OWP, verliezen een deel van hun leefomgeving. Hoewel het inmiddels bekend is dat verschillende vogelsoorten OWPen mijden (Dierschke et al., 2016; Furness et al., 2013), is het niet precies bekend of dit habitatverlies ook kan resulteren in verminderde fitness van de aanwezige individuen (Mendel et al., 2019; Vilela et al., 2020; 2021).
In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van de studie naar het vermijdingsgedrag van alken (Alca torda) en zeekoeten (Uria aalge) in en rondom Gemini Offshore Windpark, een zusterpark bestaande uit twee turbine-velden. Voor beide soorten is in eerdere studies gevonden dat ze OWPen (deels) mijden (Dierschke et al., 2016; Leopold et al., 2012; Peschko et al., 2020). Het primaire doel van deze studie is om te bepalen of er sprake is van habitatverlies bij alken en zeekoeten in en rondom Gemini Offshore Windpark. Voor deze studie is er (1) een relatief nieuwe survey techniek gebruikt (HiDef aerial surveys), (2) nagedacht over een optimale survey opzet waarbij niet alleen het OWP maar ook een groot gebied daar omheen wordt gemonitord, en (3) een robuuste statistische analyse methode ontwikkeld om de verkregen resultaten te duiden. Secundair dient deze studie daarom als show-case voor de precisie en bruikbaarheid van de toegepaste survey methode, in combinatie met de hier gebruikte statistische technieken, voor het onderzoeken van habitatverlies bij vogels en andere mariene megafauna in offshore gebieden.
De ruimtelijke verspreiding van alken en zeekoeten in en rondom Gemini is bestudeerd middels een serie van acht “HiDef aerial surveys”. Er zijn acht van deze vluchten uitgevoerd waarbij van grote hoogte (500m) met hoge-definitie camera's foto’s zijn gemaakt van het zeeoppervlak, die vervolgens zijn gebruikt om de alken en zeekoeten in het studiegebied te lokaliseren, te identificeren en te tellen. Door van grote hoogte data te verzamelen werden de vogels niet verstoord en kon veilig worden gewerkt (ruim boven de tiphoogte van de windturbines), zonder dat tussen de turbines door gevlogen of gevaren moest worden. Daarnaast levert deze methode preciezere resultaten dan observationele studies met menselijke waarnemers en kan de beeldverwerking in de toekomst worden geautomatiseerd middels beeldherkenning. De resulterende data zijn onderworpen aan een uitgebreide studie naar de vogeldichtheden in ruimte en tijd, middels een geavanceerde statistische modelleertechniek (“generalized additive” models (GAMs) met een ruimtelijke ‘latente’ component, toegepast middels Integrated Nested Laplace Approximation (INLA). Deze studie laat sterke variatie in de verspreiding van de alken en zeekoeten in de ruimte en tijd zien. Vooral de aantallen zeekoeten in het studiegebied schommelden hevig van survey tot survey. Hoewel het exacte ruimtelijke verspreidingspatroon varieerde, was er een constante: zowel alken als zeekoeten waren over de acht surveys consistent niet, of in zeer lage dichtheden aanwezig in het gebied van Buitengaats (ofwel Gemini E, het Oostelijk gelegen park), ZeeEnergie (ofwel Gemini W, het westelijk gelegen park) alsmede het gebied tussen beide deelparken in. Zowel alken als zeekoeten vormden verspreid over het studiegebied lokale “hotspots”, waarvan de precieze locaties over tijd in het studiegebied “dansen”, maar niet in het windpark werden waargenomen.
Deze studie heeft habitatverlies aangetoond voor zowel alken als zeekoeten, in zowel Buitengaats als ZeeEnergie, alsmede in het gebied ertussen (waar geen windturbines staan). Ook in het gebied direct om het windpark heen is de dichtheid alken en zeekoeten aanzienlijk lager dan op grotere afstand tot het windpark: voor alken is er tot 2 km, en voor zeekoeten tot minimaal 10 km afstand van het windpark sprake van aanzienlijk hogere kans op lagere dichtheden dan in de rest van het studiegebied. Naast de aanwezigheid van het windpark zijn er echter ook andere mogelijke bronnen van verstoring in het studiegebied aanwezig, wat in acht moet worden genomen bij het interpreteren van deze afstanden.
Middels de toegepaste survey- en modelleertechnieken kan de ruimtelijke verspreiding en dichtheid van vogels goed in kaart worden gebracht en kan habitatverlies worden aangetoond. Hierbij is gekozen voor een groot referentiegebied rondom het impact gebied (het windpark) en niet, zoals in sommige eerdere studies, voor een vergelijking van vogeldichtheden in het windpark versus die in een enkel "vergelijkbaar” referentiegebied. Deze aanpak heeft als groot voordeel dat, bij steeds wisselende verspreidingspatronen, het al dan niet toevallig samenvallen van een vogel-hotspot in een vooraf gekozen referentiegebied ter grootte van het impactgebied, geen doorslaggevend effect heeft op de vergelijking van dichtheden binnen en buiten het windpark.
Zelfs alken en zeekoeten, twee soorten die sterk op elkaar lijken, konden op de verzamelde luchtfoto’s in veel gevallen op soorts-niveau worden geïdentificeerd. In deze studie hebben we kunnen aantonen dat er sprake is van habitatverlies bij zowel alken als zeekoeten in en rondom Gemini Offshore Windpark, maar dat de mate van habitatverlies verschilt tussen deze beide soorten. Dit maakt dat het onderscheiden van zeevogels op soortniveau van belang is voor de interpretatie van habitatverlies. De variatie in ruimtelijke patronen tussen de verschillende surveys benadrukt de noodzaak van herhaaldelijke monitoring: het beeld kan sterk wisselen van survey tot survey, dus er zijn meerdere surveys nodig om een goed beeld te krijgen van de ruimtelijke verspreiding van vogels en de variatie daarin. Wij adviseren dan ook om in de komende jaren het gebied te blijven monitoren alsmede deze methodiek toe te passen in toekomstige monitoring van mariene megafauna in en rondom andere offshore windparken.